De Blues doorheen de geschiedenis: Blues meets Jazz, Jug Bands


The Great Migration


Na de afschaffing van de slavernij en de emancipatie zorgden de Jim Crow-wetten in de Verenigde Staten voor een nieuwe onderdrukking van de Afro-Amerikanen. Toch waren er ook enkele nieuw verworven vrijheden: enerzijds hadden de Afro-Amerikanen nu de mogelijkheid om zich vrij te verplaatsen en te te reizen, anderzijds was het hen nu ook toegelaten om muziek maken en dus om zichzelf op een creatieve manier uit te drukken.
Al werden enkele pioniers geprikkeld om hun nieuw verworven vrijheden te gebruiken en op zoek te gaan een nieuwe identiteit, een eigen “ik”. Terwijl hun lotgenoten achterbleven op de plantages, trokken deze mensen noordwaarts, met de rivier de Mississippi als belangrijkste gids, op weg naar se steden in het noorden.

Aan het einde van 1919 was al 1 miljoen zwarten verhuisd van zuid naar noord, meestal per trein, boot of bus, een klein aantal met de paardenkar of uitzonderlijk per automobiel. Deze mensen waren op zoek naar een beter betaalde job, op zoek naar een dak boven het hoofd en misschien vooral op zoek naar een menswaardig bestaan. Het avontuur was evenwel niet gering: bijna alle Afro-Amerikanen waren ongeschoold, de meesten van hen hadden zelfs geen familienaam. Alle intellectuele, politieke, militaire en financiële macht lag bij de witten.

I Got The Blues - Antonio Maggio

In 1908 publiceerde de Siciliaanse arbeider Antonio Maggio de eeerste12-matenblues: "I Got The Blues", nadat hij het had horen zingen in de straten van New Orleans.

De eerste wereldoorlog

Amerika is een land van immigranten en in de noordelijke steden waren rond die periode nog heel wat Europese arbeiders aan het werk. Maar met het uitbreken van de eerste wereldoorlog in 1914 viel de aanvoer van arbeiders uit Europa bijna volledig stil. Tegelijkertijd draaide de oorlogseconomie op volle toeren, dus moest men op zoek gaan naar nieuwe werkkrachten om de vrijgekomen plaatsen in te vullen. Men vond die mensen onder de zwarte bevolking in het zuiden van de Verenigde Staten. De zoektocht naar arbeidsmigranten was vaak heel gericht en actief; zo publiceerde de krant "Chicago Defender”, een populair nieuwsblad bij de Afro-Amerikanen, zelfs opzettelijk verhalen van zwarten die de welvaart hadden gevonden in de noordelijke steden.

Voor de Afro-Amerikanen vormde deze vraag naar arbeidskrachten een nieuwe opportuniteit: op zoek naar werk in het noorden kreeg men de kans om te ontsnappen aan de hel in het zuiden. Naast Memphis en St Louis trokken migranten nu ook naar naar de meer noordelijk gelegen steden Chicago, New York, Philadelphia en Detroit.

De eerste wereldoorlog had nog andere gevolgen voor de Afro-Amerikaanse cultuur: soldaten met een kleurtje hadden ontdekt dat ze in Europa beter behandeld werden dan in eigen land. Dit versterkte bij de Afro-Amerikaanse populatie de overtuiging dat het ook in de Verenigde Staten moest mogelijk zijn om gelijkwaardig behandeld te worden.

Samen met de werklieden trokken ook muzikanten en entertainers naar de steden in het noorden, waar ze ook meer kansen hadden om een publiek te entertainen én zelfs om opnames te maken.

Arbeid in de stad

Vanuit economisch standpunt was het leven in de stad voor de Afro-Amerikanen een stuk beter dan op het platteland. Niettegenstaande een zwarte arbeider heel wat minder verdiende dan zijn blanke collega, verdiende hij er wel drie keer zo veel dan een sharecropper in het zuiden.

Maar het werk was niet bepaald zachtaardig: veel arbeiders werden aan het werk gezet in de slachthuizen, de zogenaamde “Killing Floors”, anderen leverden rugbrekend werk aan de spoorwegen.

Assemblageband bij Ford, de eerste dag

En autobouwer Thomas Ford startte in december 1913 de eerste assemblageband voor de massaproductie van relatief goedkope auto’s. Ford was van mening dat hij de prijs van zijn T Model Ford drastisch kon verlagen door de efficiëntie van de productie op te drijven, en met de assemblageband wist hij de tijd om een auto te fabriceren te verlagen van 12 uur naar anderhalf uur. 

De "killing floor" van de slachthuizen, treinen en spoorwegen en alles over auto’s - het zijn thema’s die vanaf heden ook deel zullen uitmaken van het bluesrepertoire. 

Storyville - New Orleans


In 1917 kwam er ook een opmerkelijke migratiestroom vanuit New Orleans. New Orleans was een voormalige Franse kolonie waar al tijdens de periode van de slavernij de zeden en gewoonten toch ietwat anders waren dan in de rest van het zuiden. De wijk Storyville in New Orleans was tot dan de enige plek in de Verenigde Staten waar prostitutie gereguleerd was - het district was trouwens genoemd naar Sidney Story, de politicus die in 1897 de regels rond prostitutie vastlegde. De stadswijk floreerde en trok niet alleen meisjes van lichte zeden en pooiers aan, maar ook feestvierders en gokkers die zich thuis voelden in de danshuizen en de cabarets. Seks, muziek en dans vormden een bruisende cocktail in de stad en Storyville trok dus ook heel wat muzikanten aan; muzikanten die zich minder hielden aan de harmonische concepten van die tijd, muzikanten die speelden vanuit een buikgevoel. Blues en Jazz waren daarbij onafscheidelijk met elkaar verbonden.

In 1917 barstte het district Storyville langzaam uit haar voegen, en misschien ook een beetje uit de kleren: toen een nieuwe spoorlijn verraderlijk dicht bij de bordelen passeerde, werden zelfs onschuldige treinreizigers toegewuifd door de prostitués. De meisjes zaten vaak naakt op het balkon te lonken naar de passagiers. In 1917 gingen ook de Verenigde Staten mee oorlog voeren in Europa, en plots werden massa’s jonge mannen op weg naar het front toegewuifd door een wel heel bedenkelijke erehaag van wellustige jongedames. Dat kon uiteraard niet zijn; niet omwille van de zeden die de jongens moesten uitdragen in het buitenland, en al evenmin omwille van het gevaar voor de hygiëne en de volksgezondheid. Dus besloot de overheid, onder druk van de legerleiding, om Storyville te sluiten. Het was zeer tegen de zin van de burgemeester van New Orleans, die bij de sluiting nog het volgende mee gaf aan de toehoorders: “Je kan de prostitutie illegaal maken, maar je kan de prostitutie niet onpopulair maken”.

Vanaf die dag zaten de muzikanten uit de danshuizen zonder werk en ook voor hen zat er niets anders op dan te migreren naar de steden in het noorden. En vanuit New Orleans brachten deze muzikanten hun jazz, ragtime en prille boogiewoogie mee naar de stad.

Rassenrellen

East St. Louis

Zoals je kan verwachten in het gesegregeerde Amerika verliep de migratie en vooral de immigratie niet zonder slag of stoot. Zo waren de straten van East Saint-Louis In 1917 al getuige van ernstig rassengeweld.



Alles begon toen de witte arbeiders van een vleesverwerkend bedrijf in de zomer van 1916 in staking gingen om een hoger loon af te dwingen. Maar de leiding van de fabriek speelde het spel hard: zwarte arbeiders werden uit het zuiden geïmporteerd om de stakende witten te vervangen. En in plaats van samen te spannen, ging de vakbond van de witten in tegen de concurrentie van de zwarte werkkrachten. Men had de zwarten kunnen uitnodigen in de vakbond, maar ras bleef boven alles gescheiden. 
De lont in het kruitvat was een roofoverval uitgevoerd door een Afro-Amerikaan, waarna de witte burgers van Saint-louis massaal jacht maakten op hun zwarte medeburgers. De heksenjacht ging zo ver dat men het openbaar vervoer tegenhield, waarna alle passagiers bevolen werd om een hand hand uit het raam van de bus moest steken, met het doel zwarte passagiers te identificeren. Mensen met een donkere huidskleur moesten tenslotte uitstappen waarna ze in het openbaar werden afgeranseld. Zwarte burgers werden opgehangen aan straatlantaarns of in de straten achter auto aan getrokken.

Pas na weken bedaarde het geweld een beetje, tot op 1 juli van het jaar 1917 een groep witte burgers vanuit een wagen in een zwarte wijk in het rond begon te schieten. Toen later een nieuwe groep witte mannen in een auto door de zwarte wijk reed, schoten de bewoners hen meteen dood. Maar helaas, deze laatste mannen waren net detectives die zich in de wijk hadden gewaagd om poolshoogte te nemen van de situatie. Zo hadden de witte burgers opnieuw een excuus om gewelddadig op te treden tegen de zwarten: 10 huizenblokken werden in brand gestoken, en wanneer de bewoners poogden te vluchten werden ze koudweg neergeschoten. Andere bewoners liepen ernstige brandwonden op omdat ze niet naar buiten kwamen, bang voor het geweld. 



Ondanks al het geweld leekt het alsof de politie maar niet wou ingrijpen. Daders pochten openbaar over hun mishandeling van zwarte burgers, zonder enig berouw en zonder vervolging. In totaal werden 6000 zwarten uit de stad verdreven, 39 Afro-Amerikanen kwamen om bij het geweld. Maar het imago van politie was belangrijker. Het geweld liet diepe wonden na bij de zwarte gemeenschap.

Chicago

Op 27 Juli 1919 was de 17-jarige Eugene Williams, een zwarte jongen, voorbij de officieuze barrière tussen gezwommen die op het strand van Lake Michigan in Chicago de witte badgasten van de zwarte moest afscheiden. Officieel was er geen segregatie meer, maar officieus werd rassenscheiding nog steeds in de praktijk gezet. De jongen werd door witte jongeren met stenen bekogeld en verdronk in het meer. En ondanks het relaas van ooggetuigen, weigerde de politie de witte jongeren op te pakken. Het resultaat was een golf van geweld tussen wit en zwart, voornamelijk in het zuidelijke stadsdeel van Chicago. 

Pas op drie augustus kwam een einde aan het geweld: 500 mensen raakten gewond en duizend zwarte families waren uit hun huizen verdreven door brandstichting. 15 witten en 23 zwarten overleefden het geweld niet.

Na de rellen in Chicago stelde de blanke aristocratie tegenstrijdig voor om een officiële rassenscheiding in te voeren rond de zwarte wijken en om te verbieden dat een zwarte naast een witte arbeider zou gaan werken. Gelukkig was er een meerderheid van zwarten en vrijdenkende witten om deze wetten te verhinderen. Er kwam een commissie van zes blanken en zes zwarten die uiteindelijk besloten om de wortels van het kwaad aan te pakken: betere woongelegenheid en betere werkomstandigheden voor kleurlingen en een betere toepassing van de wet bij racistische feiten. Maar de praktijk evolueerde slechts ellendig traag… President Woodrow Wilson veroordeelde de blanken voor het starten van de rellen en er ontstond een toenemend activisme bij de zwarten.

Ku Klux Klan

In het zuiden nam door de industrialisering het racisme eigenlijk alleen maar toe: voor mensen met een donkere huidskleur bleven het heel donkere tijden. Laaggeschoolde blanken keerden zich tegen de zwarten in plaats van het systeem aan te klagen. Ook de Ku Klux Klan zaaide verschrikking en terreur onder de Afro-Amerikaanse bevolking. Zwarten hadden in de oorlog gestreden voor vrijheid en democratie, en thuis kregen ze geen degelijke huisvesting en geen gelijke rechten. IN 1918 had de KKK 64 zwarten gelyncht, in 1919 83.

De KKK kwam als groep voor het eerst samen ergens rond 1865 in Tulaski, Tennessee: zes werkloze soldaten met Schotse roots verveelden zich na de burgeroorlog en besloten om zich voor te doen als geesten van overleden soldaten. Verkleed als spoken op een paard gingen ze op pad met als doel de zwarten te terroriseren. Ze noemden zichzelf de KuKlos Clan, naar het Griekse woord Kuklos of Kring. De groepering vond al gauw navolging, en overal in het zuiden ontstonden clubs van de KKK - clubs die zich ook gewelddadig gingen gedragen. 

De clan verkoos Generaal Naton Batford Forest tot leider, een voormalige slavenhandelaar en oorlogsmisdadiger - ironisch genoeg wist de man zelf niet dat hij tot leider van de clan was verkozen. Maar hij nam zijn rol op, en vanaf die dag ging de KKK nog harder optreden. 
1868 was een verkiezingsjaar in de VS, en dat jaar werden meer dan duizend moorden gepleegd in een poging het stemrecht voor zwarten te verhinderen via intimidatie. Elke zwarte die een functie bekleedde of nog maar de ambitie had om een functie te bekleden, werd koudweg neergeschoten. 

De toestand escaleerde en de hulp van het leger werd ingeroepen om de KKK te bestrijden.
Toch bleef de terreur nog geruime tijd bestaan: het lynchen hield aan, segregatie bleef bestaan. Om te intimideren, werden zelfs  postkaarten verspreid van mensen die poseerden bij iemand die door de Klan was opgehangen! Een hele vertoning waarbij men poogde om de maatschappij te herorganiseren. En helaas met succes, want zwarten waren bang om te stemmen, en de macht bleef bij de witten.

In 1869 werd de KKK officiëel ontbonden, maar ondergronds bleef de organisatie verder leven. En in 1915 kwam daar opnieuw verandering in: in 1915 verscheen immers de film “The Birth Of A Nation“.

In "The Birth Of A Nation" werd een misleidend en racistisch beeld geschetst van de periode na de burgeroorlog. Op het doek verschenen witte ridders de de Amerikaanse vrouwen beschermden tegen wilde en barbaarse zwarten. En omdat het medium “film”nog heel innovatief was, trok de film maar liefst 50 miljoen toeschouwers. Eén van de kijkers was trouwens president Woodrow Wilson, en de president reageerde heel enthousiast reageerde op de prent.
 
Geïnspireerd door de film verschenen er steeds meer “Witte ridders” in het straatbeeld, mannen die net als in de film gehuld waren in een wit gewaad en met een witte kap over het hoofd. Aanvankelijk ging deze groep paraderen voor de deur van de bioscoop, maar hun aantal groeide snel en aanzienlijk en al gauw werden er ook bijeenkomsten en ceremonies georganiseerd. De Kloran werd geschreven, een soort “erecode” van de KKK waarin de houding van de KKK werd vastgelegd: de klan was tegen immigratie, tegen communisme, tegen joden, tegen het katholicisme en een uitgesproken voorstander van de drooglegging in de Verenigde Staten. Heel wat katholieken waren immers immigranten uit het zuiden van Europa en hadden dus een donkere huid. Bovendien werden ze geassocieerd met miswijn en dus met alcoholgebruik. 

Het resultaat van deze erecode was dat enkel witte protestanten, geboren in de VS, lid konden worden. En toch wist de Klan in een mum van tijd heel veel nieuwe leden aan te trekken. Het systeem van inschrijven was dan ook ingenieus gevonden, want de om mensen te rekruteren, zette de KKK een soort piramidesysteem op: wanneer een nieuw lid onthaald werd, kreeg de aanbrenger 40% van het lidgeld toegestopt. Het ledenaantal steeg hierdoor op enkele maanden tijd van 2000 naar 300.000. Al gauw had de Klan 4 miljoen leden waaronder 11 gouverneurs, 75 volksvertegenwoordigers, 16 senatoren en zelfs president Truman was ooit lid van de KKK! De Klan werd in bepaalde middens aanzien als een gerespecteerde organisatie. En zo werd de stichter William Simmons, net als de Klan zelf, ontzettend machtig en rijk.
En met de groei van de KKK nam het aantal lynch- en moordpartijen op zwarten aanzienlijk toe, voornamelijk in het zuiden van de VS. Elke zwarte die zich na middernacht nog op straat vertoonde, werd zonder onderscheid het slachtoffer van een aanslag.


Pas toen aan het eind van de jaren twintig een leider van de Klan zijn secretaresse had verkracht en vermoord, temperde de populariteit van de KKK een beetje. 

Het leven in de stad

Het leven in de stad was van een heel ander kaliber dan het leven op de plantages en stelde de Afro-Amerikanen voor nieuwe uitdagingen en nieuwe problemen. Om te beginnen was het in de noordelijke steden veel kouder dan in het zuiden van de VS. Segregatieregels waren er officieel niet, maar je kan het je al voorstellen: zwarten waren wel welkom om te werken en de economie aan te zwengelen, maar ze waren veel minder welkom om deel te nemen aan het sociale leven in de stad. De huishuur was voor migranten ontzettend duur en vaak werden mensen met een kleurtje uitgesloten door allerlei regeltjes in de huurcontracten. Mede daardoor ontstonden er zwarte woonwijken, armere wijken in de stad met veel mensen dicht bij elkaar in inferieure omstandigheden.Het leven in deze getto’s was hard, er was ook veel criminaliteit. In het verhalende bluesrepertoire doken dan ook veel teksten op over eenzaamheid en een verlangen naar het zuiden, ondanks de armoede en de ellende die er heerste.

De diversiteit onder de Afro-Amerikanen was op zich ook veel groter dan in het zuiden: hier in de stad deed iedereen immers een andere job, waar in het zuiden alle Afro-Amerikanen aan het werk waren op de plantages. En door die grotere diversiteit was er ook meer nood aan sociale cohesie, een samenhorigheid die men terugvond in de muziek. In hun nieuwe omgeving hadden bluesartiesten ook een nieuw verhaal te vertellen. De blues van het platteland versmolt met lokale invloeden: ragtime, jazz, country en zydeco.

Om de huishuur te betalen werden zogenaamde “House Parties” georganiseerd, feestjes waarbij in de kleine huisjes veel volk verzamelde, dicht op elkaar. Er werd muziek gespeeld en vooral veel gedanst. Iedereen betaalde ook een kleine bijdrage, en met deze inkomsten kon de organisator de huishuur betalen. Deze feestjes kregen een kleurrijk scala van namen: “too tight party’s”, “chitling rags” of “booges”, “house shouts”. 

De Afro-Amerikanen die in het noorden geboren waren, beschouwden zichzelf als meer gecultiveerd en geëmancipeerd, zij vonden dit alles maar niks. Zij luisterden naar lichte opera en naar ragtime, en in hun ogen was de blues van de "house rent parties" “low”.

In de blues van de stad weergalmt het leven van de stad, en dat leven was ook herkenbaar voor witte mensen. Witte mensen ontwikkelden interesse in de blues, en zo ontstond een link tussen de Afro-Amerikaanse cultuur op het platteland en de witte man in de stad.

Victor Talking Machine

De Victor Talking Machine wordt vaak in combinatie gebracht met het label “His Masters Voice”, het platenlabel met als icoon het hondje aan de grammofoonplaat.

Thomas Edison had in 1877 de “phonograaf” ontworpen: een toestel dat in staat was om geluid te graveren op het oppervlak van een cilinder. Die techniek werd in de jaren nadien verfijnd en in 1917 was men in staat om geluid op te nemen op een plaat. De platen zelf, die werden gemaakt van een soort hars van een kever, shellack genaamd. Dat hars, die shellak werd in de vorm van een schijf gegoten, een plaat. En met het grammofoontoestel kon men geluidsgolven opvangen en via een naald analoog in het hars van de plaat krassen.

Zo’n opnametoestel moet heel indrukwekkend geweest zijn: je kan het je best voorstellen als antieke platenspeler met een grote hoorn waar het geluid uit weergalmt. Een muzikant speelt zijn muziekstuk in de hoorn, het geluid wordt door die hoorn opgevangen en doorgegeven naar een naald die groeven krast in de plaat.

De muziekopname werd ook rechtstreeks op plaat gezet, dus alle geluiden samen in één keer. Het hele orkest moest voor de hoorn gaan zitten en er was geen mogelijkheid tot nabewerking: wat gespeeld werd, belandde op de plaat. Men kon naderhand geen foutjes meer corrigeren. En na drie minuten was de tijd op, want op één 78-toerenplaat was slechts ruimte voor drie minuten aan geluid. Deze opnametechnieken vormden in die zin ook een belemmering voor de improviserende creativiteit van de blues- en jazzmuzikanten van het begin van de twintigste eeuw.  

Gus Cannon (1883 - 1979)

Gus Cannon
Gustavius Cannon
 was een muzikale creatieveling en oprichter van Cannon's Jug Stompers.

Zoals het wel vaker gebeurd bij bluesartiesten, is er onduidelijkheid over zijn exacte geboortejaar. Waarschijnlijk zag hij al in 1883 het levenslicht, maar op zijn grafsteen in Hernando staat 1884 gegraveerd. De ouders van Gustavius werkten als tot slaaf gemaakten op een plantage. Gus zelf was een vrij man, maar in 1883 maakten de Jim Crow-wetten en het systeem van sharecropping zijn leef- en werkomstandigheden uiterst erbarmelijk. 

Gus verbleef als jongen van twaalf in Clarksdale, de plek waar Robert Johnson zijn ziel aan de duivel verkocht, én de verblijfplaats van W.C. Handy, de man die de blues in partituren neerschreef. Volgens sommigen is Clarksdale kortweg de geboorteplaats van de blues.
Genoeg redenen dus voor Gustavus om zijn creativiteit te laten botvieren: hij spande het vel van een wasbeer over een braadpan en fabriceerde zo een zelfgemaakte banjo. Handig gevonden, want de banjo speelde in de eerste bluesmuziek een belangrijke rol. Met een zakmes als hulpmiddel leerde hij nu “slide” spelen op zijn instrument, en al gauw zong hij ook zijn eerste folksong: “Poor Boy, Long Ways From Home”. Vanaf die dag noemde Gus zich  “Banjo Joe” en onder die naam trok hij rond als lid van een "medicine show", als zwarte weliswaar, en toch geschminkt als Blackface om te voldoen aan de stereotypen die de minstrel shows aan de wereld toonden.

Can You Blame The Coloured Man

Die minstrel-show traditie zindert trouwens door in in zijn latere muziek: Gus hanteerde expressief taalgebruik met een overdreven articulatie, maakte vaak gebruik van woordspelingen en tussendoor was er plaats voor een grapje in zijn muziek. Die stijl kan je heel duidelijk onderscheiden in "Can You Blame The Coloured Man", een song uit 1927.

Can you blame the couloured man for making goo-goo eyes?

Making goo-goo eyes” is eigenlijk net hetzelfde als heel verliefd kijken, kijken met een blik die zo verleidelijk is dat je iemand helemaal van zijn melk brengt. Gus Cannon zingt hier over Booker T. Washington, de leider van de zwarte gemeenschap die in 1901 werd uitgenodigd in het witte huis bij president, Franklin Roosevelt,  tot grote controverse bij zowel wit als zwart.

Migratie naar de stad

Clarksdale was maar een klein stadje en Gus Cannon zag het groots. In 1907 trok hij weg uit Clarksdale, om zich te vestigen in Memphis. Memphis lag als stad nog steeds heel zuidelijk en dus trok het, net als St. Louis, al vroeg migranten aan.

In het noorden kon Gus Cannon in 1927 zijn eerste opname maken voor Paramount Records. Sommigen beweren echter dat hij al in 1898 een opname heeft gemaakt - en als dat gerucht waar is, dan is Gus Cannon stellig de eerste bluesman die ooit een opname verzorgde.

Jelly Roll Morton (1890 - 1941)

Jelly Roll Morton
In Storyville experimenteerde onder meer een jonge Jelly Roll Morton - de man die claimt dat hij de jazz heeft uitgevonden. Jelly Roll Morton verdiende er zijn fooien in de nachtclubs. Zijn echte naam was “Ferdinand Morton”, maar hij nam de bijnaam “Jelly Roll” wat een schunnig woord is voor “vagina”. Zijn oma kreeg lucht van zijn duistere activiteiten en Jelly Roll Morton werd het huis uitgezet en berooid ging hij zwerven door de V.S. 

Jelly Roll Morton was een jazz-componist, maar zoals het hoorde in die tijd zette hij vaak de titel “blues” achter zijn composities. Zijn muziek was ook doordrongen van  blues en van Afrikaanse elementen, luister maar eens naar “London Blues”, “Sidewalk Blues”, “Buddy Bolden's Blues”, “Wolverine Blues”, “Jungle Blues” of naar zijn meest bekende nummer “The Original Jelly Roll Blues”.



Joe King Oliver (1885 - 1938)

En in de duistere maar levendige kroegen in New Orleans was ook de kornetspeler  Joe King Oliver aan het werk. King Oliver verhuisde later naar chicago waar hij “The Creole Jazz Band” vormde.

In 1922 nodigde King Oliver een jonge boerenknul uit om naar Chicago te verkasten: Louis Armstrong. Armstrong zou er deel uitmaken van de Creole Jazz Band, aan de zijde van King Oliver. En Louis Armstrong liet zich meteen opvallen: als muzikant, en vooral misschien als solist - het soleren of prominent naar voren brengen van één instrument was een nieuwe revelatie binnen de jazz-muziek.

In “Dippermouth Blues”, hoor je in het tweede deel Louis Amrstrong aan het werk, terwijl in het laatste deel King Oliver schitterend soleert op de kortnet. "Dippermouth Blues" werd door de Creole Jazz Band in 1924 op plaat gezet. Officieel wordt het nummer toegeschreven aan King Olvier, maar waarschijnlijk had Louis Armstrong een heel belangrijk aandeel in de composities van de song. “Dippermouth” was trouwens één van de bijnamen van Louis Armstrong.

The Original Dixieland Jazz Band

In de noordelijke stad New York werd in 1917 de allereerste commerciële jazzplaat werd uitgebracht: “Livery Stable Blues”, op plaat gezet door een groep witte muzikanten met de klinkende naam Original Dixieland Jazz Band. Muziek uit New Orleans, uitgevoerd door witte muzikanten, maar met een onmiskenbare Afro-Amerikaanse grondslag. De opname is gemaakt door de Victor Talking Machine en zette jazz op de kaart van de populaire muziek.

Original Dixieland Jazz Band

Jazzmuziek dus, maar met een sterke invloed van de blues. “Livery Stable Blues” is, zoals de naam al verkondigt, een twaalmaten-blues waarbij de instrumenten aan het einde van het nummer imitaties uitproberen van verschillende dieren: de klarinet imiteert een haan, uit de kornet komt het gehinnik van een paard en de trombone loeit als een koe.

Frank Stokes (1888 - 1955)

In Memphis, concentreerde het muzikale leven zich op Beale Street, de lange straat die centraal door de stad de oevers van de Mississippi verbindt met het oostelijke stadsdeel. Beale Street was door de instroom aan muzikanten een heel bruisende straat geworden.

Op de stoep van die fameuze Beale Street maken we kennis met Frank Stokes. Frank Stokes werkte eigenlijk als smid op het platteland, maar in het weekend trok hij  graag naar Memphis om te busken.
Ook hij trok halverwege de jaren tien weg uit de regio: hij sloot zich aan bij de Doc Watts Medicine Show en toerde met deze tentshow door het zuiden van het land. In die periode profileerde Frank Stokes zich als een verfijnde bluesartiest.
Rond 1920 keerde hij evenwel terug naar Memphis om er samen te spelen met zijn oude muziekbuddy Dan Sane. De twee muzikanten speelden vloeiend op elkaar in en vormden een sterk duo. Frank Stokes kreeg de titel “Father of the Memphis Blues” aangemeten.

"Nehi Mama Blues" is een woordspeling op de softdrank Nehi en de korte rokjes die in die periode de mode waren.

Frank Stokes had trouwens een grote invloed op het blueskoppel Memphis Minnie en Kansas Joe.

Jug Bands

De centrale klank van een jug-band wordt geproduceerd door te zingen of te blazen in een kruik van glas of steen. De jugspeler blaast op de opening van de kruik en door de lippen meer of minder op te spannen kan de muzikant de toon laten variëren. Een ervaren jugspeler kon zo tot twee octaven spelen!
Je kan het geluid van de jug een beetje vergelijken met een bassaxofoon. En aan de jug band werden nog meer ambachtelijke instrumenten toegevoegd: zo zorgde een ratelend wasbord voor de percussie, en een stalen waskuip als resonantiekamer voor de bassnaren. En door te blazen in een constructie van tinnen buizen, de "stoofpijp", werd het het geluid van een tuba nagebootst. 

De eerste jug bands waren actief in Louisville in Kentucky, maar de jugbands uit Memphis oriënteerden zich veel meer op bluesmuziek. Het zinderende geluid van de jug en de kazoo sluit heel dicht aan bij de Afrikaanse roots van de bluesmuziek en de energie van de jugbands straalde af op de rock 'n roll van de jaren vijftig.

Dixieland Jug Blowers

Dixieland Jug Blowers

De Dixieland Jug Blowers waren wellicht de meest gesofisticeerde jug band uit hun tijd. Naast de jug, de banjo en de fiddle, maakten ze ook gebruik van andere instrumenten zoals de saxofoon, de piano en de klarinet. In 1924 begeleidden ze Sara Martin op "Blue Devils Blues", waarmee ze als eerste jugband op plaat verschenen.
De centrale muzikant in dit verhaal, Earl McDonald, startte reeds in 1902 als tiener een eigen jugband waarmee hij op straat en in house-parties de mensen animeerde. In zijn geheel zou Earl McDonald meer dan veertig opnames maken met een dozijn verschillende jugbands. 

Memphis Jug Band

Memphis Jug Band

De Memphis Jug Band was georganiseerd rond zanger, gitarist en harmonicaspeler Will Shade of "Son Brimmer", maar het personeel van de band varieerde: de groep was een leerschool voor vele andere artiesten. Zo maakte Furry Lewis, Big Walter Hornton, en ook blueszangeres Memphis Minnie een tijdje deel uit van de Memphis Jug Band, en omgekeerd zorgde de jugband voor de muzikale begeleiding op de eerste twee opnames van Memphis Minnie in 1930.
De Memphis Jug Band was in de jaren twintig en dertig heel populair in de streek rond Memphis en Louisville, en dat niet alleen bij zwarte luisteraars: zelfs de burgemeester van Memphis, Mr. Crump, was een grote fan en daardoor kreeg de band de kans om te spelen op grote picknicks en politieke meetings. De Memphis Jug Band bleef actief tot in de jaren vijftig. De groep legde het format van de latere bluescombo's vast en hun hits "Stealin'" en "Walk right in" werden standards.

Will Shade zelf was een heel getalenteerd mondharmonicaspeler die een grote invloed uitoefende op Big Walter Hornton, Sonny Boy Williamson en Charlie Musselwhite.

De Memphis Jug Band wisselde ook vaak van naam, een beetje afhankelijk van waar ze optraden. Zo noemde de groep zich ook de Picanniny Jug Band, de Memphis Sanctified Singers, de Carolina Peanut Boys, de Dallas Jug Band, de Memphis Sheiks en de Jolly Jug Band.

"Sun Brimmer's Blues" was in 1927 hun eerste opname voor het Victor label. De bijzondere klank in dit nummer is afkomstig van een kazoo, een metalen pijpje dat door middel van een vloeipapiertje in de wand een zinderend geluid weergeeft. “On the Road Again” van de Memphis Jug Band, een song uit 1928, kan je beschouwen als een "rapnummer avant la lettre". En dit is de dubbelzinnige tekst uit "Bumble Bee Blues" van Memphis Minnie én de Memphis Jug Band:

I can't stand to hear him
Buzz, buzz, buzz
Come in, bumble bee
Want you to stop your fuss
You're my bumble bee
And you know your stuff
Oh, sting me, bumble bee
Until I get enough
Hmmmmm

Bumble Bee Blues - Memphis Minnie, Memphis Jug Band

Mister Stovepipe N° 1 (1890 - ?)

Voor expertise op de stoofpijp moet je bij Mister Stovepipe N° 1 zijn. Samuel Jones, want zo was zijn echte naam, was een muzikant in de regio van Cincinatti. Jones bespeelde de stoofpijp én hij droeg een heel typische smalle hoge hoed: hij had dus redenen genoeg om zich "Daddy Stovepipe" te noemen, maar die naam was al ingenomen door een andere man, Johnny Watson uit Chicago. In "Turkey in the straw" hoor je Sam Jones of "Stovepipe N° 1" op gitaar, op de zang, op mondharmonica én… op de stoofpijp!


Cannon's Jug Stompers

Ook Gus Cannon raakte besmet door de jug-rage die door Memphis raasde. Hij nam de harmonicaspeler Noah Lewis en gitarist Ashley Thompson bij de arm en richtte de de Gus Cannon’s Jug Stompers op.

Cannon's Jug Stompers

In 1929 maakten de Cannon's Jug Stompers voor Victor Records een opname van "Walk Right In". Het nummer verscheen in 1959 op het invloedrijke album The Country Blues, waarna The Rooftop Singers in 1963 het nummer een nieuwe sound gaven door het te spelen op de 12-snarengitaar.

Walk Right In werd een kaskraker. De Rooftops namen de auteursrechten op zichzelf, maar toch profiteerde Gus Cannon mee van het succes - ironisch genoeg had een verarmde Gus de winter voordien zijn banjo verkocht in ruil voor kooltjes om zich te kunnen verwarmen. Maar nu was iedereen fan, iedereen wou Gus zijn nummer horen. En die hernieuwde populariteit was niet alleen meegenomen voor zijn portemonnee, maar ook voor zijn creatieve ego. In 1963 kon Gus Cannon nog een album opnemen bij Stax Records, het album kreeg eveneens de titel "Walk Right In".




Bb Bm B



Reacties

Populaire posts van deze blog

Swing Low Sweet Chariot

Worksongs

De Blues doorheen de geschiedenis - The Golden Sixties