De blues doorheen de geschiedenis: Mississippi Delta Blues


Mississippi Fred McDowell


Wat vooraf ging

Wie denkt aan de prille plattelandsblues, die heeft meteen de blues uit de Mississippi Delta in gedachten. De blues uit de regio van de Mississippi is heel herkenbaar: ze heeft een sterke gitaarlijn, is rauw van aard, doordrongen van emotie en de deltablues liet een grote invloed achter op onze moderne rockmuziek.
De term “Delta” is echter een misleidende term. De Mississippi Delta waar we het over hebben in de blues, is het moerasgebied in het noordwesten van de Amerikaanse staat Mississippi. Dit gebied mag niet verward worden met de delta, het utistroomgebied van de rivier de Mississippi: de rivier stroomt immers in het meer zuidelijk gelegen Louisiana de zee in.

John Lee Hooker zei ooit: "I know why the best blues artists come from the Mississippi - 'cause it’s the worst state!". En hij had geen ongelijk: de Mississippi Delta was een extreem arme regio in de Verenigde Staten. Aan het begin van de jaren ‘30, het begin van de economisch depressie, was het gemiddelde inkomen er minder dan de helft van het nationale gemiddelde. Om je een idee te geven: minder dan 1% van de boerderijen beschikte er over elektriciteit!

Vooral kleurlingen leden onder deze armoede. Hun bezit was schaars en na de burgeroorlog ontstond het systeem van "sharecropping", een systeem vergelijkbaar met de leenheren uit de Europese middeleeuwen: de voormalige slaven kregen een lapje grond toegewezen dat ze mochten bewerken, in ruil moesten ze echter een groot deel van de opbrengst afstaan aan de landheer. Vaak leefden de arbeiders er nog in de oorspronkelijke slavencabines. De werk- en leefomstandigheden waren erbarmelijk en in sommige gevallen nog slechter dan tijdens de periode van de slavernij. Heel wat wetten waren niet van toepassing op de plantages, de macht van de sheriff eindigde aan de poort van de plantage. Sommige planters waren zelfs zo creatief dat ze een eigen munteenheid creëerden: het loon, dat afhankelijk was van de oogst, werd enkel uitbetaald en betaald in die munteenheid en de munt kon enkel op de plantage zelf weer uitgegeven worden. Waarbij de de plantage-eigenaar uiteraard woekerprijzen vroeg  in de winkels die hij zelf uitbaatte. Veel families van sharecroppers doken diep in de schulden, schulden die onverbiddelijk werden overgedragen op de volgende generaties.


De ketens van de slavernij waren aldus vervangen door de ketens van de schuldenlast. En daarbovenop was er nog het diepgewortelde racisme dat ontegensprekelijk deel uitmaakte van de Amerikaanse leefgemeenschap. Een racisme dat nog werd aangewakkerd door de terreur van de Ku Klux Klan, een organisatie die tot doel had angst te verspreiden, te voorkomen dat Afro-Amerikanen een functie zouden bekleden in de maatschappij en het leven van de zwarten zo zuur mogelijk te maken.

Om de welvaart van de witten te beschermen werd de rassenscheiding ingevoerd, de segregatie:  mensen met een donkere huidskleur mochten niet mengen met de witten. En de voorzieningen voor de zwarten waren inferieur. Zwarten werden ook ongelijk beoordeeld en behandeld. Als een zwarte man nog maar keek naar een witte vrouw, dan werd hij zonder proces gefolterd - ik ga U de wreedheden onthouden - en opgeknoopt. Er werden postkaartjes gemaakt waarop fiere witte mannen, vrouwen en kinderen poseerden bij het verhangen en gemolesteerde lichaam van een zwarte. En intussen vergrepen witte mannen zich vaak ongestraft aan Afro-Amerikaanse meisjes. 

Deze erbarmelijke omstandigheden, het arme, harde en eenzame leven van de sharecropper vormde de ideale voedingsbodem voor het ontstaan van een nieuwe vorm van muziek: de rauwe Delta Blues. In bluesmuziek vonden zanger én zijn publiek een emotionele uitlaatklep, een bliksemafleider, een vorm van satire én een vlucht uit de miserie van de dag. 


Bluesmuzikanten zongen zich los van de blanke onderdrukking, ze waren de bard van de volkscultuur en genoten als artiest  een heldenstatus. In de vorige aflevering vertelde ik je al hoe de blues werd opgevoerd in racistische Minstrel Shows en in Vaudeville shows. Op het platteland ontstonden er ook dansgelegenheden voor de zwarte bevolking: de "juke joints" en de "barrelhouses". Het waren duistere, gevaarlijke krochten waar van alles gebeurde dat het daglicht niet mocht zien. En waar muziek werd gemaakt, gespeeld en beleefd.

Juke Joints en Barrelhouses


De juke joint was in de beginjaren vaak niet meer dan een privéhuisje op het terrein van de plantage en
was een weinig comfortabel oord. Het was er donker, stofferig en vuil. Rondom de juke joints stapelde zich heel wat afval op.De huisraad werd er aan de kant geschoven, er werd muziek gespeeld en flink gedanst. Later kwamen er ook juke joints aan de kruispunten van belangrijke wegen - de crossroads.

Aanvankelijk was de fiddle, een kleine viool, het populaire instrument in de club, samen met de banjo. Rond 1890 verscheen ook de gitaar op het podium: gitaren waren vanaf dan relatief goedkoop beschikbaar via een postordersysteem.


De muziek in de juke joints evolueerde er van ragtime naar boogie-woogie en blues. Bezwete lichamen schuurden er tegen elkaar aan, men schonk er illegale whiskey, er werd gegokt en het gebeurde wel vaker dat de avond eindigde in een vechtpartij, soms zelfs met dodelijke afloop. De juke joint lag dan meestal ook buiten het zicht en buiten het bereik van de arm der wet. De plek werd gecontroleerd - en vaak getolereerd - door de plantage-eigenaar. En als de arbeiders maar hard genoeg werkten op het land, dan hield de plantage-eigenaar zich verder afzijdig. 

Voor de Afro-Amerikaan was de juke joint echter een plek waar hij vrij was. Men kon er wekelijks de druk van de arbeid, de ontberingen en de blanke overheersing van zich afwerpen. In de juke joint was de zwarte als het ware “vrij”, de segregatie liet geen nieuwsgierige blanke blikken binnen. De juke joints waren zonde-huizen en een  vrouw met enig aanzien bleef er ver uit de buurt - de meeste vrouwelijke artiesten vonden doorgaans een podium in de Vaudeville theaters - al waren er ook wel enkele opvallende uitzonderingen.


Ook in de zogenaamde "barrelhouses" werd dansmuziek gespeeld. De barrelhouse was een door witte mannen gerunde taverne, meestal gelegen nabij een spoorweg gelegen, waar gegeten, gedanst en gegokt werd.


Segregatie maakte dat de witte mannen en vrouwen geen toegang hadden tot deze dansgelegenheden. De blanken frequenteerden hun eigen, luxueuze balzalen. Rivierstoomboten brachten de witte feestvierders van dorp naar dorp om te feesten. En ook bij de blanken werd er gegokt en gedronken. Sommige van deze feesten werden opgeluisterd met muziek van een zwarte band - maar uiteraard speelde deze Afro-Amerikaanse band geen blues, want blues was de muziek van de duivel. Uit financiële overwegingen kende elke bluesartiest dus wel enkele ballads uit het populaire blanke repertoire. Diep in de Delta en in de bergen bleef de Afrikaanse muziek misschien relatief ongerept, dicht bij de rivier mengden verschillende muziektradities zich in het nieuwe genre: populaire walsen, ierse ballads en Europese klassieke melodieën lieten allemaal hun sporen na in de blues.

Dockery Farms



De plantage van Will Dockery was een heel bijzondere plek. De familie Dockery had sinds 1885 hard gezwoegd om de Dockery Farms uit de grond te stampen in een woeste regio van moeras en krokodillen. De moerassen werden met de hand gedraineerd, bomen werden gekapt, wegen aangelegd. En dankzij het harde werk groeide de plantage gaandeweg uit tot een belangrijke economische activiteit. Er kwam een moderne katoenmachine en later zelfs een treinstation waar de intussen beroemde  “Pea Vine train” halt hield.

Will Dockery, eigenaar van de plantage, stond gekend als een werkgever die weinig betaalde, maar die op zijn minst eerlijk was tegenover zijn arbeiders. Voor veel zwarten was het werk op de Dockery Farms een opportuniteit: ergens anders zaten ze immers vastgeketend aan het systeem van "sharecropping" of waren ze eigenaar van een lapje schrale grond met een onvruchtbare, rotsige bodem. Heel wat Afro-Amerikanen solliciteerden dus op Dockery Farms en er ontstond op de plantage een aanzienlijke leefgemeenschap met in de gloriejaren zelfs een eigen winkel, een postkantoor en telegraaf, een school, een dokterspraktijk, meerdere kerken en een begraafplaats. In de jaren 1930 was de Dockery Farm 73 km² groot en werkten er meer dan 2000 arbeiders.

De plantage was meteen ook een rijke voedingsbodem voor enkele legendarische bluesartiesten en er werden geregeld dansfeestjes georganiseerd. Will Dockery zelf was niet zo verzot op al die muziek, en hield zich afzijdig. Waardoor hij pas in de jaren zestig bewust werd van het belang dat zijn bedrijf op de geschiedenis van de blues heeft uitgeoefend.

Mississippi Delta Blues

De blues die ontstond in de regio van de Mississippi Delta was weinig complex. Heel typerend is het gebruik van de slide-gitaar: met een mes, een stuk metaal of met de afgezaagde hals van een fles glijdt de muzikant over de snaren van zijn gitaar. De bluesman zingt een zanglijn van twee maten en beantwoordt deze zang met een korte, zangerige melodie op de gitaar, een zogenaamde "lick". 

De techniek van slide-gitaar stamt af uit de "Diddley Bow", een handgemaakt muziekinstrument waar vooral Afro-Amerikaanse kinderen heel veel plezier aan beleefden. De handleiding: Neem een houten plankje en sla er twee nagels in op afstand van elkaar. Span tussen deze nagels een snaar en plaats onder de snaar een holle fles die de snaar een beetje opspant. Wanneer je nu met het lemmet van een mes over deze snaar krast, krijg je een klagerig zingend geluid. De holle fles onder de snaar dient om het geluid te versterken. Vermoedelijk is de diddley bow afkomstig uit Hawai en werd deze ergens rond 1894 in de Delta van de Mississippi geïntroduceerd. Later werd de Diddley Bow verticaal aan de houten pilaren van de porch bevestigd - de porch is het terras bij de houten barak van de sharecroppers.

Lonnie Pitchford was een Amerikaanse bluesmuzikant die leefde tussen 1955 en 1998. HIj was een instrumentenmaker die ons met zijn “One String Boogie” laat horen hoe de diddley bow klinkt.

Resonator gitaar

Bij een National Steel guitar of Dobro gitaar (of resonator gitaar) wordt het geluid versterkt door een metalen klankkast ipv een houten. De resonators werden geproduceerd omdat ze luider klonken dan de klassieke gitaar en dus het rumoer van het publiek of het geluid van een orkest konden overstemmen. Uiteindelijk werd de resonator echter geliefd omwille van zijn speciaal geluid – vooral in bluegrass en in blues werd veel van het instrument gebruik gemaakt. Het geluid van de resonator is typisch voor de Delta blues.



The Mississippi Delta is shining like a National Guitar
Graceland - Paul Simon

Het triumviraat: Charley Patton, Willie Brown en Son House

Ergens eind 1930, aan de oevers van de Mississippi, reed een oude Amerikaanse Buick de geschiedenis tegemoet. Aan boord zaten vier knappe heren en een frivole jongedame. Charley Patton had in de regio al heel wat faam verworven met zijn virtuoze bluestechniek - en ook een beetje met zijn clownerie. Willie Brown was al jaar en dag zijn muzikale compagnon. Louise Johnson  was Patton’s liefje - althans aan het begin van de roadtrip. Want de nieuwkomer, Son House, zou haar, na een affaire op de achterbank, van hem afsnoepen. We vergeten de chauffeur nog: xx, een man die van Patton flink wat dollars had gekregen om zijn auto én zijn tijd te lenen voor een bluesavontuur waarover later nog veel zou gepraat en geschreven worden.

Ze hadden een lange weg af te leggen. En ondanks de afstand, de hitte, de whiskey die te snel vloeide, de gitaar die tot brandhout vernield werd, de knokpartij die voor oponthoud zorgde en de amoureuze escapades, bereikte het vijftal veilig en samenhorig de opnamestudio van Paramount. En die opnames zijn van onschatbare historische waarde!

Charley Patton (1891 - 1934)

Charley Patton
Charley Patton is relatief weinig bekend, zelfs in het niche van blues-adepten. En toch mag je hem zonder schroom betitelen als één van de belangrijkste muzikanten uit de twintigste eeuw. Patton zag er dan ook niet uit als een volksheld. hij was getekend, klein en gedrongen van gestalte, had een bleke huid, liep mankend door een schotwonde aan zijn been. Maar Charley Patton was groots in zijn muziek.

En ook het levensverhaal van Charley Patton past perfect bij de woelige geschiedenis van de blues. Patton was een losbandige bluesrambler, is maar liefst acht keer getrouwd, belandde met één van zijn partners in de gevangenis en werd drie keer van Dockery’s gegooid, de plantage waar hij verbleef.

Charley Patton groeide op in een groot gezin in Bolton (Mississippi) in het zuiden van de V.S. Zijn mama was de dochter van een blanke man en een indiaanse vrouw met Afrikaanse roots. De papa van Charley had een heel donkere huidskleur, terwijl Charley Patton er eerder blank uitzag. Hierdoor werd het gerucht gevoed dat hij de buitenechtelijke zoon was de buurman: buurman Henderson Chatmon, de patriarch van de Chatmon Family. Patton speelde trouwens vaak gitaar ten huize van de familie Chatmon, wat niet echt bevorderlijk was om het gerucht tegen te gaan. En wat vooral aanleiding gaf tot grote frustratie van zijn zeer gelovige vader Bill.

Papa Bill Patton hoopte aanvankelijk dat zijn zoon na de verhuis ver genoeg verwijderd zou zijn van de muzikale familie Chatmon. Maar muziek zat Charley Patton in het bloed, en op Dockery ontmoette hij een zekere Henry Sloan, een gitarist die een pak minder melodieus en vooral meer ritmisch en gesyncopeerd speelde. Deze muziek moet voor vader Bill heel barbaars geklonken hebben. Maar Charley Patton was niet te stoppen en hij leerde heel erg snel… tegen 1915 wist Patton al te overleven van zijn baantje als muzikant.

Patton kwam echter vaak  in de problemen. Ooit zat tijdens een optreden een jonge vrouw op zijn schoot, maar haar partner trok zijn mes en sneed Patton in de keel. Patton liep daarbij een gevaarlijke wonde op. Vrouwen keken op naar de blueshelden, maar hun  partner maakte daar geen onderscheid in. En in de Juke Joints ging het er heel ruig aan toe! Geregeld werd de avond verstoord door vechtpartijen en schietpartijen, met dodelijke slachtoffers tot gevolg. De dader belandde misschien heel even in de cel, maar was je een goede werker, dan kon je al gauw rekenen op de hulp van de plantage-eigenaaar die een goed woord deed en de borg betaalde om de dader vrij te stellen. En zo bleef de miserie bestaan. De wet gold niet op de plantages.

Toch probeerde Charley af en toe om een meer christelijk te leven te leiden. Maar die goede intenties waren telkens maar een kort leven beschoren. Ooit ging vader Bill zijn zoon zelfs achterna met de zweep om hem de muziek van de duivel af te leren, maar het mocht niet baten: Charley Patton leerde van Henry Sloan alle kneepjes van het vak en tegen 1918 had Patton al zijn eigen volgelingen, zelfs tot op de naburige plantages.

Scouting bij H.C. Speir

Op zoek naar bredere roem had Charley Patton in 1929 een brief geschreven naar H.C. Speir, een bluesscout. H.C. Speir had nabij Jackson in Mississippi een kleine platenzaak met achterin een opnamestudiootje waar hij demo’s maakte van muzikanten om door te sturen naar de grote platenlabels. De baas van de labels maakte op basis van deze demo’s een selectie en nodigde de artiesten van zijn voorkeur uit naar de stad voor een definitieve opname. 
Speir streek voor zijn scoutswerk een soort van commissieloon op, de artiest zelf kreeg in de eerste fase niets. Maar onder de bluesartiesten was geweten dat Speir je aan een opname kon helpen, dus boden talrijke muzikanten zich spontaan aan voor een demo-opname. Zo werden dankzij het werk van Speir de eerste opnames gemaakt van onder meer Tommy Johnson, Son House, Skip James, Robert Johnson, Bo Carter, Willie Brown, the Mississippi Sheiks, Blind Joe Reynolds, Blind Roosevelt Graves en Robert Wilkins. Dus dankzij het onschatbare werk van Speir werden heel wat bluesartiesten vereeuwigd.

Speir werkte meestal dichtbij zijn opnamestudio. Maar voor Charley Patton, wiens roem zich snel verspreidde in de regio, maakte hij een uitzondering: Speir bezocht Patton op de plantage van Dockery.
Toen H.C. Speirs arriveerde, stelde Patton zichzelf meteen voor als “uniek”. Hij had zelfs het lef om eerst een glas whiskey te eisen waardoor hij beter zou kunnen spelen. het glas whiskey werd hem echter geweigerd. Speir maakte wel een opname, wat technisch niet gemakkelijk was want Patton, de man die doorgaans jongleerde met zijn gitaar, moest tijdens het musiceren heel stil blijven zitten voor de microfoon.

Eerste opnames van Charley Patton

Dankzij het scoutswerk van H.C Speir mocht Charley Patton op 14 juni 1929 voor Paramount zijn eerste opnames inblikken. Hij werd hiervoor uitgenodigd in een studio in Richmond, Indiana. Ook de definitieve opname was geen eenvoudige klus, want de studio was gelegen bij een spoorweg en telkens een trein passeerde, moest men de opname onderbreken. Om Patton wat losser te maken, kreeg hij  deze keer wel  whiskey voorgeschoteld. Een opname voor een 78-toerenplaat mocht slechts drie minuten duren: een rood licht kondigde aan dat de artiest zijn lied moest afronden. Veel artiesten sloegen hierdoor in paniek wat een stuntelig einde opleverde, maar Patton wist zijn kalmte te bewaren. Patton speelde ook in drie verschillende stemmingen, en dat maakte het er niet eenvoudiger op..

Die dag nam Charley Patton voor Paramount 14 nummers op, waaronder "Pea Vine Blues" - een song over de trein die halt hield op Dockery’s, "34 Blues" en "Pony Blues", één van de eerste nummers die hij zelf had geschreven. Meestal werden de goede opnames op de A-kant van de plaat gezet, de minder goede opnames belandden op de B-kant. Maar van Cherley Patton waren eigenlijk alle opnames van zeer hoog niveau waardoor men ook op de B-kantjes kwalitatief hoogstaande nummers brandde. En omdat de platenfirma graag meerdere artiesten op haar label had staan, werden de opnames van Patton ook verkocht onder de artiestennaam Elder JJ Hadley.

De opnames waren een succes en kenden een recordverkoop van meer dan 100.000 exemplaren. Helaas kregen de artiesten enkel een gage per opname, waarna de winst van de verkoop toekwam bij de platenfirma. Van auteursrechten was geen sprake, dus kon Patton niet profiteren van de grote verkoop van zijn muziek.

Charley Patton was een virtuoos met zijn instrument. Hij vervormde zijn stem om verschillende typetjes te imiteren, vulde de tekst die hij zong aan met zijn slide gitaar en creëerde complexe polyritmische figuren met één instrument.

In "34 Blues" zingt Charley Patton over het feit dat hij omwille van zijn losbandig gedrag, werd verbannen van de plantage van Dockery.

They run me from Will Dockery's, Willie Brown, I want your job
They run me from Will Dockery's, Willie Brown, I want your job
(spoken: Buddy, what's the matter?)
I went out and told papa Charley,
"I don't want you hangin' round on my job no more

34 Blues - Charley Patton

"Pony Blues" klinkt voor de moderne luisteraar meestal niet echt vertrouwd in de oren. Door de slechte opnamekwaliteit van Paramount klinken de opnames wat primitief. En het is bovendien een nummer met een bizar ritme: de gitaar legt de nadruk op eerste beat, de zang op de vierde. Patton trekt daarbij de zang van vierde beat verder door naar eerste beat van de volgende maat. Hierdoor krijgt de luisteraar de indruk dar er in de zang wisselend drie vijf beats zijn, over vier regelmatige beats in de gitaarbegeleiding. Deze polyritmiek is typisch voor delta-blues waar de strakkere regeltjes van de "12-matenblues" uit de beginjaren 1900 nog niet toegepast werden.
Tussendoor zingt en speelt Charley Patton tripletten en slaat hij de tegentijd op zijn gitaar. Het geheel is trouwens veertien maten lang: 3 x 4 maten waarna een opvulling van twee.
Patton's teksten zijn ook moeilijk te verstaan.  Hij verlengt woorden en knipt zinnen louter in functie van de ritmiek.

In “A Spoonful Blues”, zingt Patton verdoken over zijn cocaïne-gebruik. In zijn stem hoor je ook de sporen van nicotine en de alcohol. Maar Patton’s performance is en blijft heel krachtig: hij speelt een conversatie tussen een man en een vrouw, waarbij hij de vrouw vertolkt door te zingen met een hoge falsetto stem. Het vraag- en antwoordpatroon tussen deze rolletjes wisselt heen- en weer met het vraag- en antwoordpatroon op de slide gitaar. En als je goed oplet, hoor je dat Patton geregeld het woordje “Spoonful” laat vallen om het te imiteren met de slide gitaar!

Charley Patton had een luide en ruige stem die goed van pas kwam in de overvolle dansgelegenheden. Hij was een clown, kende een breed repertoire van popliedjes, spirituals, dansliedjes en eigen composities. Terecht mag Patton één van de belangrijkste muzikanten van de twintigste eeuw genoemd worden. Toch werd de complexiteit van Patton's muziek in zijn tijd niet altijd gewaardeerd in de luidruchtige juke joints. Charley Patton leefde bovendien als een rockster avant-la-lettre, dronk veel en had relaties met verschillende vrouwen waardoor hij geregeld in de problemen kwam en ook meermaals van de plantage werd verbannen.

Patton krijgt een tweede uitnodiging voor een opnamesessie

Na de opname bij Paramount keerde Patton terug naar Dockery’s waar hij een affaire aan ging met Katie, de echtgenote van één van de bazen. Patton kwam in de problemen en werd opnieuw van de plantage verbannen. Hij verhuisde naar het stadje Lula waar hij introk bij een oude liefde van hem, Bertha Lee Jones. Bertha werkte er als kok voor een witte planter, en net dat kwam Patton goed uit: hij kon kon op die manier een tijdje mee eten uit de hand van een plantage-eigenaar. Bovendien waren in de omgeving van Lula veel plantages en juke joints waar Patton ongeremd zijn ding kon doen.

Omdat “Pony Blues” intussen veel succes oogstte, werd Patton in 1930 opnieuw opgezocht door Paramount. Eén van de medewerkers van het platenlabel, Arthur Laibley, was eigenlijk op weg naar Texas waar het grote succes van Paramount, Blind Lemon Jefferson, net was overleden. De platenfirma was dus op zoek naar een artiest die nieuwe hits kon aanleveren. H.C. Speir had net voordien al Blind Joe Reynolds en Tommy Johnson aangetrokken. Tommy Johnson was de man van de “Canned Heat Blues” waar Canned Heat haar naam aan ontleende. Maar Tommy Johnson was tijdens de opnames meer dronken dan nuchter en zijn platen verkochten niet echt goed. Dus was Paramount opnieuw op zoek naar een sterartiest voor het label.

Laibley had maar enkele minuten de tijd, maar terwijl de trein halt hield nam hij toch even de tijd om Charley Patton een nieuw voorstel te te doen: Patton werd uitgenodigd voor een tweede opnamesessie. Hij kreeg hiervoor min of meer carte blanche, én maar liefst 100 dollar vooraf om zijn transportkosten te dekken.
Aan het station van Lula, bij die korte ontmoeting, was Patton echter niet alleen. Aan de overzijde van de straat stond een schuchtere man in de schaduw te wachten op zijn nieuwe vriend en collega bluesmuzikant. Een man met de naam Son House. Patton had ook hem net geïntroduceerd bij de manager van Paramount.

De muzikale carrière van Charley Patton  was kort maar intens. Hij overleed op 28 april 1934 ten gevolge van een lek op de mitralishartklep, mogelijks het gevolg van rheuma op kinderleeftijd of van syfilis die hij op jongere leeftijd had doorgemaakt.

Willie Brown (1895 - 1952)

Willie Lee Brown
Willie Brown zag het levenslicht in Tunica rond 1895 en leefde op de Jil Yeagers plantage. Weinig is over hem bekend, toch weten we dat Brown gitaar leerde spelen van Charley Patton en hem daar zelfs al gauw in overtrof. Willie Brown speelde snel en zuiver, met een agressieve aanslag en een inventieve bas. Brown plukte ook heel hard aan zijn snaren en beheerste op meesterlijke wijze de polyritmiek.

Toch stond Willie Brown maar weinig op de voorgrond, eerder speelde hij de tweede gitaar bij Charley Patton en later bij Son House. Desalniettemin was Willie Brown één van de pioniers van de Delta-Blues en werd hij door Son House genoemd als één van de beste gitaristen ooit. Er zijn echter maar weinig opnames van hem terug te vinden, "Future Blues" is er één van, samen met "M&O Blues", allebei opgenomen bij Paramount in 1930.

Can't tell my future, and I can't tell my past
Lord, it seems like every minute, sure gonna be my last
The minutes seems like hours, and hours seems like days
The minutes seems like hours, hours seems like days
And it seems like my woman oughta stop her low down ways

Future Blues - Willie Brown

Ook "Future Blues" is een meesterwerk, mede door de manier waarop Willie Brown de bassnaren “snapt” tegen de gitaar, de sterke lyrics en de krachtige performance. Future Blues werd gecoverd door Dr. John, Johnny Winter en in een boogie-ritme door Canned Heat. Willie Brown inspireerde ook Robert Johnson die in zijn "Cross Road Blues" refereert naar "My friend Willie Brown".

Son House (1902 - 1988)

Son House
Eddie James "Son" House werd geboren in Riverton nabij Clarksdale (Mississippi) in 1902. Het dorpje Clarksdale zal later in het bluesverhaal nog vaak terugkeren: ook Muddy Waters, John Lee Hooker, Sam Cook en Ike Turner zijn er geboren. En vooral: Clarksdale was het dorpje waar Robert Johnson zijn ziel verkocht aan de duivel.

Ook Eddie James Son House groeide dus op in het legendarische dorp. En ook zijn levensverhaal staat bol van ellende, intriges en tweestrijd. Zijn papa  was verslaafd aan de drank en toen de jongen vijftien was trok zijn mama met hem naar de overkant van de Mississippi om in de buurt van New Orleans te gaan leven. Son House was vast besloten om predikant te worden. Hij huwde een oudere dame, maar ook zijn eigen huwelijk liep spaak en Son House trok rond op zoek naar klusjes. Hij werkte op verschillende plantages maar de enige job die hij echt graag heeft gedaan was het werk op een paardenranch. Het is trouwens aan die job dat hij de cowboy-hoed over hield die hij vaak droeg tijdens zijn optredens in de jaren zestig. Uiteindelijk trok Son House naar de kerk om er als predikant aan de kost te komen.

Son House hield zich vast aan het geloof, en de blues was muziek des Duivels waar hij zich van distancieerde. Tot op een dag… Op een dag, toen hij 25 jaar was, werd hij aangetrokken door een muzikant die veel volk rond zich wist te verzamelen. De man speelde bottleneck-gitaar en. Son House was heel diep onder de indruk. Son House was gepakt door de blues.  Hij vergat zijn afkeer van de muziek en begon spoedig zelf bluesnummers te spelen én te componeren. Die keuze was hartverscheurend, maar té aanlokkelijk.

Ergens rond 1927 raakte Son House betrokken bij een schietincident in een juke joint. Een kogel trof hem in het been en Son House schoot de belager, naar eigen zeggen uit zelfverdediging. Toch werd Son House veroordeeld, tot vijftien jaar strafarbeid in de beruchte Parchman Farm Prison. Gelukkig werd de zaak na twee jaar herbekeken: Son House kwam opnieuw vrij, maar kreeg van de rechter de dwingende voorwaarde dat hij onmiddellijk de streek zou verlaten.. Als bluesrambler trok hij naar Robertsville in het noorden waar hij Charley Patton en Willie Brown ontmoette. Samen speelden ze op zondag in de huizen van de sharecroppers.
Ook blueslegende Robert Johnson hing toen rond op dezelfde plantages om muziek te maken. Samen met Charley Patton schampte Son House naar Robert Johnson toen deze voor het eerst de gitaar ter hand nam. "Waarom stop je daar niet mee? sneerden ze hem toe. Een jaar later zou Robert Johnson naar dezelfde plek terugkeren en spelen als een nooit geziene virtuoos.

Eerste opnames

Son House
In 1930 trok Son House mee met Charley Patton uit naar de studio van Paramount in New York waar ze samen een opname verzorgden. 

"Walkin’ Blues" werd eerst opgenomen als testopname. De opname raakte verloren en werd pas teruggevonden in 1989, maar gelukkig maakte Alan Lomax in 1941 al een nieuwe veldopname. Robert Johnson en Muddy Waters hoorden Son House het nummer “Walkin’ Blues” al eerder vertolken, en zij brachten hun eigen versie uit.

De verkoop van de plaat was door toedoen van de economische recessie in de jaren '30 echter geen succes. Toch bleven de drie bluesvaders verder toeren, terwijl Son House ook de kost trachtte te verdienen als chauffeur van de tractor op een plantage.

Herontdekking en de "sixties revival"

In 1941 werden nog opnames gemaakt door field-recorder Alan Lomax, maar Son House stopte als muzikant en verdween in de vergetelheid. Tot hij in juni 1964 tijdens de folk revival opnieuw opgevist werd door bluesliefhebbers, na een lange zoektocht van New York tot Memphis in het diepe zuiden, langs de desolate plantages van de Mississippi Delta. Uiteindelijk werd Son House aangetroffen in Rochester, nabij New York. Hij had zich reeds langere tijd uit de muziek business teruggetrokken en was zich in het geheel niet bewust van het feit dat zijn oude opnames in de jaren 60 opnieuw zoveel aandacht kregen. De man die samen speelde met Charley Patton, de mentor van Robert Johnson en Muddy Waters, de rauwe blueszanter was 69 geworden, kampte met een alcoholprobleem en had intussen verleerd hoe hij de gitaar moest hanteren.

Son House was bovendien zijn repertoire min of meer verleerd maar kreeg de hulp van zanger en mondharmonicaspeler Allan Wilson van Canned Heat om stap voor stap opnieuw zijn nummers te leren spelen. Kort nadien werd het album "Father of Folk Blues" uitgegeven, later hernoemd tot "Father of the Delta Blues".


Son House speelde tot op oudere leeftijd met een krachtige, eenvoudige, zuivere slide en bracht  negro-spirituals met een beangstigende intensiteit. Hij liet zijn snaren knallen tegen de nek van zijn gitaar, predikte zijn eigen blues en kreunde als een ware holler.
Son House overleed in 1988 en had een grote invloed op onder meer Muddy Waters en Robert Johnson.

The Grafton Sessions

In 1930 werden Charley Patton, Son House en Willie Brown dus uitgenodigd voor een opnamesessie in Grafton. Patton betrok ook nog Wheeler Ford, een, jawel, gospelzanger. Patton had Ford net voordien voorgesteld aan Paramount, maar als muzikant was hij niet geslaagd voor de test. Maar Ford bezat een auto, een Amerikaanse Buick, en mocht dus mee als chauffeur.
En ook zangeres Louise Johnson mocht mee op reis. Louise was het 23-jarige vriendinnetje van Patton. Zij werkte als zangeres in een Barrelhouse én ze wist ook goed de fles whiskey te hanteren.

Onderweg stopte het gezelschap om van de voorafbetaling nieuwe gitaren te kopen, gitaren van het toen populaire merk Stella. Tijdens het rijden werd flink wat whiskey verzet en op een bepaald ogenblik begon Charley Patton met Willie Brown te ruziën. De discussie ging zo ver dat Patton bijna uit de rijdende auto sprong, maar gelukkig voor ons en voor de geschiedenis van de blues hield Son House hem nog tegen. Ford liet de auto stoppen, Willie Brown sprong uit de wagen en Patton ging hem achterna, met de gitaar in de hand. Maar Charley Patton stond niet stevig meer op zijn benen en hij viel… pardoes op zijn fonkelnieuwe, onbespeelde Stella gitaar. Volgens de kronieken eindigde het instrument zo plat als een pannenkoek.
Terug op weg begon Patton met Louise te ruziën, Louise ging dan maar achterin zitten, op de achterbank naast Son House…en begon met Son House te flirten.

Je kan het bijna niet geloven, maar niettegenstaande de wilde avonturen bereikte het vijftal veilig en samenhorig de opnamestudio in Grafton. 

In Grafton was er geen Afro-Amerikaanse gemeenschap: er verbleven vooral veel geëmigreerde Duitsers die nog nooit een zwarte gezien hadden. Meestal kregen de bluesartiesten dan maar een verblijfplaats in een dorp nabij waar wel een zwarte gemeenschap woonde. En om niemand voor het hoofd te stoten, werden de artiesten langs de achterdeur ontvangen. Maar voor Charley Patton en zijn gezelschap werd een uitzondering gemaakt. Het vijftal was goed gemarineerd bij hun aankomst en maakte misschien niet meteen de beste indruk, toch mochten ze op kosten van Paramount vlakbij en heel sjiek logeren.

De portier deelde de sleutels uit: een kamer voor Patton, één voor Brown en één voor Louise Johnson. Son House stond op het punt om naar zijn sleutels te vragen, maar Louise, antwoordde vliegensvlug: “Schat, ik heb reeds de sleutels van onze kamer!". Na een vurige nacht vreesde Son House dat hij  klappen zou krijgen van Charley Patton, maar neen hoor: Patton ging er heel licht over dat Son House zijn liefje had afgepakt. En toen was het tijd voor de opnamesessie.

De opnames gebeurden in een klein lokaal dat met een loopbrug verbonden was met de fabriek. Gelukkig had Paramount net geïnvesteerd in betere akoestiek voor de ruimte.
Bij zo’n opnamesessie werden meestal twee opnames gemaakt. De eerste noemde men ”de matrix”, de  tweede opname diende als  reserve-exemplaar mocht de eerste breken of verloren gaan. Het liet de artiest ook toe om in twee tempo's te spelen om naderhand te beluisteren welke versie men op de markt zou gooien.

Son House beschreef de microfoon als een watermeloen. Hij vond het allemaal niet zo moeilijk: de opname werkte als een verkeerslicht: groen is starten, rood is stoppen. En niettegenstaande de drooglegging voorzag Paramount voldoende whiskey, geserveerd door een knappe jonge dienster

Louise Johnson kwam als eerste aan de beurt: zij zong "All Night Long Blues" en "Long Way From Home". De regel schreef voor dat niemand de opname mocht bijwonen, maar het gezelschap van Charley Patton kreeg alweer een uitzondering; de heren bleven om de jongedame aan te moedigen, je hoort in het fragment hoe ze commentaar leveren terwijl Louise Johnson “Long Way From Home” ten berde brengt.

Vervolgens was het de beurt aan Son House: hij bracht “My Black Mama”.

Son House speelde met een krachtige, eenvoudige, zuivere slide en bracht  negro-spirituals met een beangstigende intensiteit. Hij liet zijn snaren knallen tegen de nek van zijn gitaar, predikte zijn eigen blues en kreunde als een ware holler. In My Black Mama voel je de woede en de frustratie die hij in zich heeft. My Black Mama” werd later door Son House omgevormd tot de “Death Letter Blues”. 
Het thema van “Death Letter” bestond op dat ogenblik al in meerdere nummers; onder meer Ida Cox zong in 1924 de “Death Letter Blues”. Ida ging verdiepte zich later in het morbide thema met de “Coffin Blues”, “Bone Orchard Blues”, “Marble Stone Blues”.

Soms lijkt het alsof de teksten van Son House niet aaneen hangen. Bluesmuzikanten maakten wel vaker gebruik van flarden tekst die ze in een bui van inspiratie toevoegen aan hun nummer. En in tegenstelling tot ballads die verhalend zijn, beschrijft de blues het gevoel van de zanger rond een gebeurtenis waar iedereen mee vertrouwd is. Liefde, verlies, vluchtige pleziertjes, blut zijn, rondtrekken, het komt allemaal aan bod.

In “Preachin' Blues” snapt Son House hard met de snaren tegen de gitaar, aangevuld met schreeuwende trebles. Ook hier is in zijn stem heel wat  boosheid te horen; “Gonna join the baptist church, won’t have to work”. Het nummer is heel persoonlijk en vertelt ons meer over de getormenteerde psyche die zich wentelt tussen het geloof en de blues. Ook dit is een meessterwerk!

Son House kreeg voor zijn opnames 40 tot 50 dollar per nummer, wat in totaal overeen kwam met  een loon van twee jaar sharecropping. Hij werd door Paramount gevraagd om ook het nummer “See that my grave is kept clean” van de net overleden Blind Lemen Jefferson in te spelen. Son House verwerkte het nummer tot een instrumentale versie met de titel “Mississippi Country Farm Blues”. In 1942 volgde bij Alan Lomax een nieuwe opname, deze keer met tekst. In deze opnames speelt Son House ook met een ressonator gitaar.

Tijdens de Grafton sessions bracht Charley Patton zijn meesterwerk “High Water Everywhere”, een nummer over de overstromingen van 1927. Hij speelde het bluesnummer in twee delen, en voor velen is dit het beste werk van Charley Patton. De song "High Water Everywhere” bevat weinig melodie, het ritme is daarentegen heel complex en wordt aangevuld met gestamp en gezang. Patton speelde hier bovendien een heel vernuftige 13,5 matenblues, een knap staaltje polyritmiek! "High Water Everywhere" bestaat uit twee delen waarbij het eerste deel, verhalend over de ramp, heel chaotisch klinkt: Patton snapt de bassnaar tegen de gitaar en speelt met de bottlenech een echo van de melodie. Het twee deel, over de periode na de ramp, wordt veel  rustiger gebracht.

Na de Grafton Sessions

Na de opnames voor Paramount verliep de terugreis een stuk rustiger dan de heenreis. En ondanks de meesterwerken die in 1930 op plaat zijn vastgelegd, bleef een succesverkoop uit: de economische crisis van de jaren dertig liet zich al voelen, een crisis die vooral de armere Afro-Amerikanen verhinderde om geld te spenderen aan muziek.

Louise Johnson verdween van de radar. Charley Patton werd nog maar eens van Dockerys Farms gegooid en trok naar een man Cliff Toy, wiens vrouw, jawel, een oude liefde van Patton was - en haar dochter zijn enige erkende kind. De dochter noemde Willie Mae maar stond gekend als China Lou. China Lou had geen hoge dunk van haar vader,  zijn liefde voor alcohol en vrouwen en zijn clownerie. En je raadt het nooit… of toch… Son House werd verliefd op Pattons dochter en Charley Patton tolereerde ook deze relatie. Son House hield dus stand aan zijn oude gewoontes, ook wanneer hij besloot om niet te trouwen, wel samen te leven met het meisje. Son House bleef “ramblen”. In 1931 werd hij opnieuw door Paramount gevraagd, maar Son weigerde omdat het leven als bluesartiest niet voldoende geld opbracht. Son House deed waar hij goed in was: hij ging terug naar de boerderij om er als tractorchauffeur te werken.

In 1934 was Paramount failliet, en pas 35 jaar later zou Son House opnieuw een commerciële opname maken, maar daarover later meer.

De Blues en de duivel, een Afro-Amerikaanse legende

Zet je neer en speel op je gitaar het nummer dat je het best beheerst, terwijl je de duivel in gedachten houdt. Je zal muziek horen, eerst zacht maar steeds luider, een muzikant nadert. Kijk niet op, blijf gitaar spelen. De onzichtbare muzikant zal naast je plaats nemen en met je mee spelen. En na enige tijd zal je voelen dat er aan je gitaar wordt getrokken. Laat je gitaar overnemen en blijf zelf je vingers zetten alsof je een denkbeeldige gitaar bespeelt. De duivel zal je zijn instrument overhandigen en je begeleiden op je eigen gitaar. Hij zal je vingers grijpen en je nagels inkorten tot je vingers bloeden. Tenslotte neemt hij zijn gitaar terug en overhandigt hij de jouwe. Blijf spelen en kijk niet op. Zijn muziek zal verstommen terwijl de duivel weg wandelt. 

Eens het stil is, kan je naar huis gaan. Vanaf beheers je elk muziekstuk op gitaar, je zal ook alles kunnen doen wat je wenst in deze wereld. Maar je hebt je ziel voor eeuwig verkocht aan de duivel, in deze wereld en in het hiernamaals!

Robert Johnson (1911 - 1938)

Blueslegende Robert Johnson is vermoedelijk geboren in Haslehurst, Mississippi in 1911. Zijn stiefvader Charles Dodds was relatief welgesteld maar moest de regio ontvluchten na een dispuut met blanke landeigenaars. Robert kwam uiteindelijk met zijn mama en haar nieuwe partner terecht op de plantage van Abbay & Leatherman nabij Robinsonville waar ook Willie Brown leefde.
Op zijn zevende had Robert dus al drie verschillende vaders gekend. Hij nam de naam van zijn natuurlijke vader, Noah Johnson, aan en huwde op zijn negentiende met een zeventienjarig meisje. Zijn jonge vrouw overleed echter kort nadien in het kraambed, samen met hun ongeboren kind. Haar familie en zijn omgeving verwijten hem dat haar dood het gevolg is van het feit dat hij de muziek van de duivel speelt.

Robert Johnson woonde het eerste deel van zijn leven op een plantage waar hij de bluesharmonica leerde spelen. Toch was het zijn wens om de gitaar te beheersen. R.J. keek op naar Charley Patton en Son House. De liefde was echter niet wederzijds: beide heren keken zeer betuttelend op hem neer.

Robert Johnson
Een jaar later keerde Robert Johnson terug naar zijn geboortedorp, waar hij de mysterieuze Isaiah "Ike" Zimmerman ontmoette, een gitarist die volgens de roddels bovenaardse krachten had verworven door 's nachts op het kerkhof te spelen.

Het duurde niet lang of Robert Johnson had op miraculeuze wijze gitaar leren beheersen. Deze prestatie bracht de fabel in de wereld dat Johnson zijn ziel had verkocht aan de duivel: hij zou op een nacht naar een kruispunt zijn gegaan om gitaar te spelen. Om middernacht werd hij benaderd door een grote, donkere man - de duivel - die hem zijn instrument afpakte, het stemde, en het hem, in ruil voor zijn ziel, terug in de handen stopte. Een dergelijk verhaal was al eerder uitgebracht door Tommy Johnson, een man waar Robert Johnson geen verwantschap mee had.
Robert Johnson

Wat er ook van zij, toen Robert Johnson in 1931 weer opdaagde, waren alle toeschouwers diep onder de indruk. 
Son House die Johnson voordien had afgewezen, twijfelde zelfs even of hij zelf het spel van de gitaar nog beheerste. Johnson had bij zijn terugkeer de traditie van de deltablues geabsorbeerd en verder uitgebreid met de stijl van Ike Zinneman, de melodie en akkoorden van Leroy Carr, de string picking van Scrapper Blackwell en Lonnie Johnson. En Robert Johnson beheerste de polyritmiek zo goed dat het leek alsof er meerdere artiesten samen aan het spelen waren.

Later haalde hij ook nog inspiratie bij Kokomo ArnoldPeetie Wheatsraw en Skip James. Zo is “Milkcow Calf’s Blues” een bewerking van Son House’s “My Black Mama” en Arnold’s “Milk Cow Blues”. En uit het nummer “Sagefield Woman Blues” van Kokomo Arnold haalde Robert Johnson de uitdrukking “Dust My Broom”, net als de beroemde lick.

Johnson haalde ook meteen de banvloek van de kerk over zich, omdat hij in meerdere songs alludeert op de duivelse legende. Luister maar naar "Me And The Devil Blues" en "Hellhound On My Trail". Kenmerkend voor de muziek van Robert Johnson zijn de invoerende combinaties van blues en andere muziek met een rollend en ritmisch gitaarspel. Met zijn lange vingers vertolkte hij muziek die bijna onmenselijk klonk. Robert Johnson was hip in zijn tijd en kende ook veel populaire deuntjes. 
Johnson was voor de akoestische gitaar wat Hendrix voor de elektrische gitaar betekende. Volgens het prestigieuze magazine “Rolling Stone” is Johnson nummer vijf op de lijst van de beste gitaristen aller tijden.

Robert Johnson mat zich - naar het voorbeeld van bluesvader Charley Patton - het leven van een rockartiest aan. Hij reisde van her naar der en was berucht voor het scharrelen van meisjes in verscheidene dorpen. Tegen 1934 was Robert Johnson continu op de baan als professioneel muzikant.
Eens hij de skills had verworven, stapte Robert Johnson zelf  naar het platenwinkeltje van HC Speir om een opname te laten maken. In november 1936 nam hij op een week tijd 16 nummers op, in juni 1937 kwamen er nog 13 nummers bij. "Terraplane Blues" was op dat ogenblik met 4000 exemplaren het best verkopende nummer, maar het succes van de opnames was in die tijd sowieso zeer beperkt. Ter vergelijking: in 1970 werden van het album "The Complete Recordings" maar liefst 400.000 exemplaren verkocht op zes maanden tijd!

RJ was heel vernieuwend: de walking bass, boogie bass, het gebruik van verminderde akkooorden... Sommigen  kronen Robert Johnson tot de “Father of the rock and roll”. Het gerucht leeft dat Robert Johnson net voor zijn overlijden ook een elektrische gitaar bespeelde. Had hij de kans gekregen om een elektrisch repertoire uit te bouwen, dan had Robert johnson stellig de Chicago-blues uitgevonden - meerdere jaren voor Muddy Waters naar Chicago verkaste.

Robert Johnson stierf op 16 augustus 1938 en werd dus slechts 27 jaar jong. De legende verhaalt dat hij in zijn laatste ogenblikken doormaakte, “kruipend, stuipend en schuimbekkend op de dansvloer van een juke joint”. Hij moest wel bezeten zijn door de duivel… Feit is dat hij na een van zijn optredens vergiftigde whisky kreeg - waarschijnlijk een actie van een jaloerse echtgenoot van een van zijn scharrels. Hij werd overgebracht naar Greenwood waar hij het gif binnen enkele dagen door ziekte wist uit te zweten. Helaas liep hij tijdens zijn ziekte een longontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd. Enkele weken voor zijn dood had hij nog zijn kinderen bezocht, waar hij telkens één van zijn opnames achter liet.

De wetsdokter schreef het overlijden toe aan "syfilis", een geslachtsziekte die vaak voorkwam in de Afro-Amerikaanse gemeenschap. In die periode werden overlijdensaktes vaak onnauwkeurig opgesteld, zeker voor zwarte mannen of vrouwen.

Enkele maanden na zijn dood was John Hammond onwetend op zoek naar Robert Johnson. Hij wou hem in zijn stal en had plannen voor grote tournees met de blueszanger. Hammond was reeds manager van Billie Holiday, van Count Basie en van Benny Goodman. John Hammond wou Robert Johnson ook als sterartiest op het podium van het concert “Spirituals to Swing”, een concert dat in 1938 in de Carnegie Hall in New York plaats vond. Big Bill Broonzy zou daarop de plek van Robert Johnson innemen...

Pas in de jaren '60 kwam postuum het album "King of the Delta Blues Singers" op de markt, uitgegeven door Colombia. Op het album waren de diep pakkende nummers uit de jaren '30 te beluisteren. Johnson was op dat ogenblik, met uitzondering bij een klein aantal liefhebbers, geheel onbekend in de Verenigde Staten. Op de hoes van het album stond niet eens een foto, maar een waterverfje - van Robert Johnson zijn trouwens maar twee foto's bekend. 

Maar de plaat raakte een hele generatie bluesliefhebbers in de ziel en de reacties op het geluid van Robert Johnson waren intens en emotioneel. Het album sloeg letterlijk in als een bom en betekende de grote postume roem voor Robert Johnson. De wereld van de deltablues-muzikanten werd omarmd en geromantiseerd door de witte middenklasse uit Engeland. Robert Johnson werd meteen het onderwerp van heel wat boeken en films. 

In 2004 bracht Eric Clapton als homage de LP “Me and Mr Johnson” uit. Maar Clapton was echter overdonderd - het leek wel alsof er twee gitaristen nodig waren om de muziek van Robert Robert Johnson te reproduceren. “It’s impossible” hoor je Clapton zeggen. En ook toen Keith Richards Johnson’s plaat kocht, vroeg hij zich eerst af wie de tweede gitarist was… Robert Johnson had dus geen begeleidingsband nodig: hij kon in zijn eentje keet schoppen in de juke joint.


Sweet Home Chicago - Robert Johnson

"Sweet Home Chicago" is waarschijnlijk het meest gekende nummer van Robert Johnson.

Back to the land of California, to my Sweet Home Chicago”... Het lijkt alsof Robert Johnson de stad Chicago in de staat California situeert. Maar Robert Johnson was een nauwkeurig tekstschrijver en men kan dus niet zomaar veronderstellen dat hij hier een fout maakte. Mogelijks wou Robert Johnson zowel California als Chicago gebruiken als metafoor voor een denkbeeldig paradijs om naar te emigreren, in contrast met de Mississippi Delta waar racisme heerste en waar de zwarte bevolking een hard leven had te verduren. Een andere verklaring stelt dat Robert Johnson familie had wonen in Port Chicago, en dat is een stad aan de oevers van de Suison Bay in de staat California. In dat geval zou het nummer verwijzen naar een heel andere stad dan algemeen wordt aangenomen. Nog andere bronnen vermelden dan weer dat Robert Johnson zinspeelde op de California Avenue in Chicago. En kwade tongen verklaren zelfs dat Robert Johnson zijn geliefde wou misleiden, hij stuurt haar de verkeerde richting uit… recht naar California.
Robert Johnson was een rambler. Hij reisde dus van her naar der, en zong gewoonweg dat hij vanuit het land van California, doorreist naar zijn "sweet home Chicago".

Ondanks deze tegenstrijdigheden groeide “Sweet Home Chicago” uit tot een hommage aan de stad Chicago én tot één van de referentienummers van de blues. In latere versies liet men dan ook wijselijk de referentie naar California achterwege. De song werd ontzettend populair en een groot scala aan artiesten coverde de song  of maakte er een eigen interpretatie van.

Tommy Johnson (1896 - 1956)

Tommy Johnson
Ergens tussen 1912 en 1914Bam kwam bluesman Tommy Johnson in de buurt van de plantage van Will Dockery. Hij kwam er toe als brave jongen en vertrok als womanizer en alcoholist; Lonnie Johnson stond er gekend voor het drinken van sterno of brandspiritus, zijn nummer "Canned Heat Blues" waar Canned Heat haar naam aan ontleende, was autobiografisch.

Tommy Jonson is geboren op een plantage in 1896 waar hij van een broer leerde gitaar spelen. Op jonge leeftijd liep hij weg van huis. Op Dockery's haalde hij veel inspiratie uit de muziek van Charley Patton en Willie Brown. Bovendien imiteerde hij de acrobatie door te spelen met de gitaar achter het hoofd of tussen de benen alsof hij een muilezel bereed. Toch ontwikkelde Tommy Johnson een eigen stijl met een sterke falsetto-zangstem en een dansbaar ritme. Hij was een sterke componist en tekstschrijver, stukken van zijn lyrics maken intussen vast deel uit van het bluesrepertoire. "I asked for water, and she gave me gasoline".

Tommy Johnson cultiveerde een sinister personage rond zijn figuur. Hij beweerde dat hij zijn ziel had verkocht aan de duivel, in ruil voor meesterschap bij het gitaarspelen. De legende werd later gekopieerd door Robert Johnson, waar Tommy Johnson overigens niet mee verwant was.

Helaas dronk Tommy Johnson net iets te veel van de brandspiritus als alcoholderivaat. De giftige methanol veroorzaakte, naast bijziendheid, ook een neurologische uitval van de benen: door de aantasting kon hij zijn benen niet goed meer opheffen - een aandoening die men “Jake Legs” noemde. Tegen dertigjarige leeftijd was Tommy Johson lichamelijk al  helemaal afgetakeld. 

Johnson had een grote invloed op andere artiesten. The Mississippi Sheiks plagieerden zijn nummer "Big Road Blues" in hun "Stop and Listen Blues", Floyd Jones coverde het in "Dark Road Blues" en "On The Road Again", het nummer waarmee Canned Heat een rockhit scoorde.

Kokomo Arnold (1901 - 1968)

Kokomo Arnold
In september 1934 schreef de Amerikaanse bluesgitarist Kokomo Arnold de "Milk Cow Blues". James "Kokomo" Arnold was vijf jaar eerder gemigreerd naar Chicago waar hij aan de kost kwam als "bootlegger" of leverancier van alcohol tijdens de prohibitie. Zijn bijnaam had hij verworden nadat hij de "Kokomo Blues" van Scrapper Blackwell had omgevormd tot "Old Original Kokomo Blues".

 De Milk Cow is een metafoor voor een verloren liefde. Arnold had met zijn nummer een grote invloed op Robert Johnson, die zijn "Old Original Kokomo Blues" omtoverde tot "Sweet Home Chicago". De "Milkcow Blues" werd ook bewerkt door Johnnie Lee Willis in 1941 en gecoverd door onder meer Elvis Presley in 1954.

Uit het nummer Sagefield Woman Blues” van Kokomo Arnold haalde Robert Johnson trouwens de uitdrukking “Dust My Broom”, net als de beroemde lick.

Door een geschil met platenlabel Decca trok Kokomo Arnold trok zich al in 1938 terug uit de muziekbusiness. Tijdens de folk-revival van de jaren '60 vond hij zijn gading niet. Hij overleed op 67-jarige leeftijd.

Skip James (1902 - 1969)

Skip James zong in een mineure, donkere bluesstijl en riep met zijn gejaagde falsetto-stem nog meer duivels op dan Robert Johnson. Skip bespeelde de gitaar met een snelle en zuivere "fingerpicking-techniek"  en vulde die aan met diepe hypnotische baslijnen.

Skip James

Nehemiah Curtis “Skip” James werd grootgebracht op de plantage van Woodbine in Bentonia, Mississippi. Hij verdiende naast sharecropping en zijn leven als bluesrambler ook de kost als gokker en bootlegger - en helaas kon hij zelf ook de drank niet weerstaan. Skip James was een eenzaat en een slechte revolverheld - de eenzaamheid weerspiegelt ook in zijn teksten over eenzaamheid en de dood en het harde leven in de Mississippi Delta. En zoals het hoort in de blues, stortte hij zich ook af en toe diep in de religie. Af en toe moest hij de stad ontvluchten, hij “skipte” de stad - en zo verwierf hij zijn bijnaam “Skippy” James. Maar met zijn spookachtige stem en zijn gejaagde stijl op gitaar én op piano, verwierf hij eeuwige roem.

Ook Skip James had een heel grote invloed op Robert Johnson. Getuige hiervan is het nummer "22-20 Blues", dat door Robert Johnson werd omgevormd tot "32-20 Blues". 

In 1931 maakte Skip James zijn eerste opnames voor Paramount Records. Twintig songs op twee dagen - een engagement waarvoor hij trouwens acht dollar uitbetaald werd. Bij die sessie werd ook de spiritual “I’m so Glad” opgenomen, een nummer dat bij het beluisteren steevast kippenvel bezorgd. Niettegenstaande in die periode de gitaar voornamelijk als begelieding-sinstrument werd gebruikt, plukt Skip James aan zijn snaren tot de akoestische gitaar bijna vuur vat.

De economische crisis van de jaren '30 drukten de verkoop van zijn album en Skip James verdween uit Mississippi en ging aan de slag als als predikant in een kerk in Texas. Skip James had zijn ziel verkocht… maar in zijn geval aan de kerk. En hij verdween in de obscuriteit. Skip James zou geen opnames meer maken  tot hij aan het begin van de jaren '60 - bijna gelijktijdig met Son House - herontdekt werd door enkele blues-enthousiastelingen. 

In 1964 was Skip James alles behalve gelukkig. Hij zat in een diep dal: een tumor aan de penis had zijn gezondheid gekraakt, de 61-jarige man, geraakt in zijn mannelijkheid, was quasi blut, had geen vrienden en bleef achter met een diepe frustratie tegenover het onrecht dat hem was aangedaan. En net op dat ogenblik werd hij opgezocht door drie witte jongemannen, lui die hem hadden opgespoord nadat ze de naam “Skip James” op een stoffige 78-toerenplaat hadden gelezen.

Skip James verscheen in 1964 op het Newport Folk Festival en in 1968 maakte Eric Clapton samen met de groep Cream van “I’m So Glad” een bluesrockversie, die verscheen op hun debuutalbum “Fresh Cream” uit 1968. En dankzij de eerlijke behandeling door Clapton en de royalties die de familie van Skip James ontving, kon hij zich aan het eind van zijn leven alsnog de noodzakelijke medische ondersteuning veroorloven. In de marge moeten we nu vermelden dat “I’m So Glad” op zich ook een herwerking was van “So Tired”, een nummer van Art Sizemore en George A. Little. Toch bleef de ijdele Skip James tot op zijn sterfbed geloven in zijn eigen versie. Zijn voorlaatste woorden waren: “They got it ass backwards,’ he said. ‘They don’t have the harmony, the rhythm. I doubled up on it. It’s too good a song to mess up like that. Nobody will ever play it like me.”

Peetie Wheatstraw (1902 - 1941)

Peetie Wheatstraw
De Duivelsmythe die aan Robert Johnson kleeft, werd al eerder in de bluesgeschiedenis gebruikt. Bluespianist William Bunch noemde zich Peetie Wheatstraw, "The Devil’s Son In Law", de schoonzoon van de duivel. En ook nog "High Sherrif from Hell". En die macabere titels legden hem geen windeieren.

Over het jonge leven van William Bunch is weinig gekend. Hij is geboren in 1902, in 1927 begon hij rond te trekken als zwervend muzikant. Later trok hij naar East St. Louis waar hij roem verwierf.
Peetie Wheatstraw begeleidde tijdens zijn carrière heel wat grootheden uit de blues, en daarnaast speelde hij ook vaak solo. In de jaren ‘30 maakte hij maar liefst 175 opnames, een aanzienlijk getal in de periode economische crisis waarin platenfirma’s vooral bespaarden op bluesmuziek. Zijn twee bekendste nummers zijn "Four O'Clock In the Morning" en "Tenessee Peaches Blues".

Wheatstraw had een macho persoonlijkheid en in zijn nummers pocht hij veel over zichzelf, een Afro-amerikaanse traditie die de naam “praise song” met zich mee kreeg. Met zijn attitude en stijl werd Peetie Wheatstraw de geestelijke voorvader van de rapcultuur.
Hij begon steeds met dezelfde intro, gilde vaak "oo well" en zong in een luie stijl waarbij hij de woorden niet geheel articuleerde. In latere recensies is men vaak heel sceptisch over zijn werk, toch kunnen we stellen dat Peetie Wheatstraw de duivelse blues van het platteland meenam naar de stad, waar een nieuw publiek hem opwachtte. En wie hem tijdens zijn leven hoorde, was kennelijk onder de indruk. Zo is Robert Johnson”s “Little Queen of Spades” een bewerking van zijn Wheestraw’s “King Of Spades”. En “Police Station Blues” werd in de handen van Rober Johnson het bekende “Terraplane Blues

Op 25 november 1941, op het hoogtepunt van zijn succes, brandde Peetie Wheatstraw de nummers "Mr. Livingood" en “Bring Me Flowers While I'm Living”. Een helaas onheilspellende titel, want Wheatstraw zou weldra aan zijn einde komen: op 21 december 1941 - nota bene op zijn 39e verjaardag - reden enkele vrienden in feeststemming met hem naar zijn huis. Maar op enkele woonblokken van zijn woning verwijderd, reed de wagen met grote snelheid in op een stilstaande trein. De inzittenden hebben het niet kunnen navertellen:  Wheetstraw en zijn vrienden waren  op slag dood. Ook Big Joe Williams was aanvankelijk aan boord van het voertuig, maar hij ontsnapte op het nippertje aan het onheil door uit te stappen en een lokale taxi te nemen.

Van Peetie Wheatstraw is slechts één foto bekend, waarop hij breed glimlachend in de camera kijkt, net in het pak en met een blinkende resonator op de schoot. Bizar, want Peetie Wheatstraw was eigenlijk een pianist - maar misschien was de piano te groot om mee te nemen in het fotocabientje.

Wat volgt


Bb Bm B

Spotify afspeellijst

Reacties

Populaire posts van deze blog

De Blues doorheen de geschiedenis - The Roaring Twenties

Worksongs

De Blues doorheen de geschiedenis - The Golden Sixties